Met het CTG-apparaat wordt de hartslag van de baby en de activiteit van de baarmoeder (bijvoorbeeld harde buiken of weeën) geregistreerd. Een CTG wordt gemaakt op verzoek van de verloskundige of gynaecoloog. Een CTG wordt gemaakt om een indruk te krijgen van de conditie van de baby en de activiteit van de baarmoeder.

Onderzoek
Een CTG kan zowel uit- als inwendig worden gemaakt.

Uitwendig CTG
Het CTG wordt gemaakt door een verpleegkundige of tweedelijns-verloskundige van de afdeling Verloskunde. Tijdens het onderzoek ligt of zit u op bed. De hartslag van de baby en de activiteit van de baarmoeder worden geregistreerd met behulp van twee transducers.
De ene transducer registreert met behulp van ultrasound het aantal hartslagen per minuut van de baby. De andere transducer registreert de samentrekkingen van de baarmoeder. De transducers worden met twee elastieken banden op uw buik geplaatst. Het onderzoek duurt ongeveer 30-45 minuten.

Inwendig CTG
Tijdens de bevalling kan het nodig zijn om het CTG inwendig te registreren. De tweedelijnsverloskundige of de gynaecoloog plaatst dan via de schede een elektrode op het hoofdje van de baby. Hiermee wordt de hartslag van de baby geregistreerd. Ook de activiteit van de baarmoeder (de weeën) kan inwendig worden geregistreerd. U hoeft dan geen elastieken banden meer om uw buik. De inwendige registratie blijft aan tot de geboorte van de baby.

Saturatiemeter
U krijgt een knijpertje op de vinger geschoven. Dit is een saturatiemeter. Het doel hiervan is om het zuurstofgehalte van uw bloed en uw polsslag (hartfrequentie) te registreren.

De uitslag
De verpleegkundige controleert tijdens de registratie regelmatig of alles goed gaat. Een gynaecoloog, afdelingsarts of tweedelijnsverloskundige beoordeelt de registratie en bespreekt daarna de uitslag met u.

Specialismen & afdelingen