Algemene vragen over HSMR (Q&A)

1. Wat zijn de sterftecijfers?
Hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen absolute en gestandaardiseerde sterftecijfers.

2. Wat is het absolute sterftecijfer?
Het absolute sterftecijfer is het aantal mensen dat in het ziekenhuis is overleden tijdens een ziekenhuisopname.

3. Wat is het gestandaardiseerde sterftecijfer?
Het gestandaardiseerde sterftecijfer is gelijk aan de verhouding tussen het werkelijke en het ‘verwachte’ aantal sterfgevallen in een ziekenhuis, vermenigvuldigd met 100. Het hier gepubliceerde sterftecijfer is de som van sterfte voor vijftig diagnosegroepen, vermenigvuldigd met 100. Met ‘verwachte sterfte’ wordt bedoeld de sterfte die op grond van het patiëntenprofiel kan worden verwacht. Per diagnosegroep wordt het werkelijke sterftecijfer gecorrigeerd voor patiënt- en locatiefactoren die wel de kans op sterfte verhogen maar niets te maken hebben met kwaliteit van zorg. Als het gestandaardiseerde sterftecijfer uitkomt op 100 komt de werkelijke sterfte overeen met de verwachte sterfte. Het gestandaardiseerde sterftecijfer wordt bijvoorbeeld niet gecorrigeerd voor palliatieve zorg, terwijl dit een belangrijk onderdeel vormt van het zorgaanbod binnen Ziekenhuis Amstelland.

4. Waarom is gekozen voor vijftig diagnosegroepen?
Tachtig procent van de mensen die overlijden in de Nederlandse ziekenhuizen overlijdt aan een ziekte of aandoening vallend binnen die 50 diagnosegroepen. De vijftig diagnosegroepen bepalen samen 80% van de sterfte.

5. En hoe zit het dan met de overgebleven 20%?
De overige 20 % procent van de mensen die overlijden in de Nederlandse ziekenhuizen overlijdt aan een andere aandoening of ziekte.

6. Welke correctiefactoren zijn er?
Dit zijn leeftijd, geslacht, sociaal economische status, ernst van de ziekte, spoed of geplande opname, andere ziektes waar de patiënt niet voor is opgenomen maar wel aan lijdt (de zogenoemde comorbiditeit), verblijfplaats van de patiënt voorafgaande aan de opname (ander ziekenhuis, verpleeghuis, thuis, etc) en kalendermaand. Voor palliatieve zorg en casemix (verschillen in patientencategoriëen) wordt niet gecorrigeerd.

7. Hoe moeten de gestandaardiseerde sterftecijfers worden gelezen?
Bij een gestandaardiseerd sterftecijfer van honderd is de sterfte zoals verwacht op basis van het patiëntenprofiel. Bij een getal boven de honderd zijn er meer mensen overleden dan op basis van het patiëntenprofiel zou worden verwacht. Bij een cijfer onder de honderd zijn er minder mensen overleden dan op basis van het patiëntenprofiel zou worden verwacht. Omdat het rekenmodel nog niet optimaal is, en de registratie gemiddeld genomen niet vergelijkbaar is, kan niet worden geconcludeerd dat een ziekenhuis dat boven de honderd scoort daarmee geen goede kwaliteit zou leveren, en andersom geldt dat ook voor ziekenhuizen met een score onder de honderd.

8. Wat zegt het absolute sterftecijfer over de kwaliteit van zorg?
Het absolute sterftecijfer zegt niets over kwaliteit van zorg.

9. Wat zegt het gestandaardiseerde sterftecijfer over de kwaliteit van zorg?
De nu berekende gestandaardiseerde sterftecijfers maken nog geen kwaliteitsverschillen duidelijk. Het gestandaardiseerde sterftecijfer is een indicator die vooral nuttig is voor interne signalering en gebruik in de ziekenhuizen zelf. 

10. Waarom kunnen de ziekenhuizen op basis van de cijfers onderling nog niet worden vergeleken?
Er bestaan grote verschillen in de wijze waarop in Nederlandse ziekenhuizen de patiëntkenmerken worden geregistreerd en gecodeerd. Het registratiesysteem is namelijk oorspronkelijk voor interne administratieve doeleinden opgezet en het omvormen ervan tot een landelijke kwaliteitsregistratie vraagt tijd. Pas als voldoende degelijk gecorrigeerd is voor allerlei patiënt- en locatie gebonden factoren, kunnen dit soort cijfers voor directe kwaliteitsvergelijking worden gebruikt. Er wordt nu hard gewerkt om de registratie binnen afzienbare tijd overal eenduidig te maken.

11. Welke conclusies kunnen worden getrokken uit lijsten met HSMR-cijfers?
Algemene conclusies op basis van de HSMR-cijfers zijn niet te trekken. Als ziekenhuis gebruiken wij de uitkomsten natuurlijk wel voor het doen van nader onderzoek, op basis waarvan wij dan eigen conclusies kunnen trekken. Wij gaan met behulp van een HSMR-monitor de ontwikkeling van onze sterftecijfers periodiek volgen, met de mogelijkheid om gericht dossieronderzoek te doen, aan de hand van een triggertool. Dit is een screeningsinstrument waarmee op snelle en efficiente wijze opvallendheden gesignaleerd kunnen worden.

12. Is de registratie in ziekenhuizen onder de maat?
Het is niet zo dat er slecht wordt geregistreerd. Het registratiesysteem is oorspronkelijk voor interne administratieve doeleinden opgezet en het omvormen ervan tot een landelijke kwaliteitsregistratie vraagt tijd. Er bestaan daarnaast grote verschillen in de wijze waarop in Nederlandse ziekenhuizen de patiëntkenmerken worden geregistreerd en gecodeerd. Er wordt nu hard gewerkt om de registratie binnen afzienbare tijd overal eenduidig en geschikt voor kwaliteitsvergelijkingen te maken. Daarnaast is nog een overgang geweest van het diagnosecoderingssysteem (van ICD9 naar ICD10). In het ziekenhuis is in het jaar 2012 voor het eerst volgens de ICD10 gecodeerd, waar het merendeel van de ziekenhuizen nog in ICD9 heeft geregistreerd.

13. Wie heeft de gestandaardiseerde sterftecijfers berekend?
De Landelijke Medische Registratie (LMR) is de bron voor de berekening van de sterftecijfers. Dutch Hospital Data (DHD) verzamelt deze gegevens. De berekening is gedaan door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

14. Hoe komt de LMR aan de benodigde gegevens?
De Landelijke Medische Registratie (LMR) bevat gegevens van alle opnamen (verblijven) in de Nederlandse ziekenhuizen. De LMR wordt uitgevoerd door Dutch Hospital Data (DHD). DHD is opgericht door de Nederlandse vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de De Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) met als doel het beheer en onderhoud van verzamelingen van ziekenhuisgegevens, toezicht op relevante databanken die elders worden aangehouden en het bevorderen van een hoogwaardige informatievoorziening voor en over de ziekenhuiszorg.